De mens die het meest geleefd heeft is niet hij, die de meeste jaren telt, doch hij, die het ’t diepst ervaren heeft.
- Jean Jacques Rousseau
Een breekbare vrouw met een hartelijke uitstraling komt ons in de wilde tuin tegemoet. Sprankelende blauwe ogen, een losjes zittende katoenen hemd aan en een vrolijk gekleurd shawltje om haar hoofd gebonden. Ze verliest haar haar met grote plukken, zegt ze later. Deze mooie vrouw is het jongste zusje van mijn cliënte. Mijn 91-jarige cliënte kan niet auto rijden, haar man was het afgelopen decennium ziek en de trein is te vermoeiend voor haar en dus heeft ze haar zusje in het Oosten van het land al in geen tien jaar opgezocht. Haar veel jongere zus kwam haar zo nu en dan wel opzoeken in Breda, maar dat gaat nu niet meer. Ze heeft kanker. Ze zit in de derde chemokuur van de acht die haar toegezegd zijn. Voor mijn werk kreeg ik de kans om ze elkaar te laten ontmoeten. En dat was heel bijzonder. Ik wilde ze samen in de tuin achterlaten en zelf een uurtje gaan wandelen, maar er stonden al drie tuinstoelen met kussens in de schaduw van een oude boom klaar. In de boerenkeuken stonden drie schoteltjes met appeltaart onder een theedoek te wachten op ons. Het was niet de bedoeling dat ik zou vertrekken. Zo zat ik dus ineens bij een gesprek tussen twee zussen die terug in de tijd gingen en veel over vader en moeder spraken. Moeder die met zeven jonge kinderen in de oorlog achterbleef nadat vader heel jong aan kanker overleden was. Eten uit de gaarkeuken. Jongste zusje van toen tweeënhalf herinnert zich niet zoveel, behalve dat ze nog jaren bij moeder in bed had geslapen. Nonnen die in het huishouden kwamen helpen, maar ook kritiek hadden als niet alle bedden opgemaakt waren omdat de kinderen voor schooltijd ook nog naar de kerk moesten. Oudste zus (mijn cliënte) moest jong gaan werken. Uiteindelijk werden de allerjongsten in andere huizen ondergebracht omdat moeder tuberculose kreeg. Naast herinneringen uit een heftige tijd lachen ze ook veel in de tuin. Vergelijken elkaars uiterlijk. Spreken uit dat het zo fijn is dat ze deze dag samen kunnen doorbrengen. Als ik na een uurtje aankondig dat we zo zoetjesaan ons moeten gaan klaar maken om te vertrekken om weer anderhalf uur terug te rijden, protesteert onze gastvrouw. Ze heeft een lunch voor ons drietjes voorbereid. Onder een andere theedoek op de keukentafel komen drie schaaltjes met vers fruit vandaan, een schaal met heerlijk brood en een schaal met lekker beleg. We eten nostalgisch op de inmiddels antieke bordjes van moeder thuis. Tijdens de lunch lachen we nog even verder - ook ernstige onderwerpen komen aan bod. Ik laat ze praten en luister. Twee zussen die zich beiden heel bewust zijn van hun eindigheid. De vergankelijkheid van het leven. Beiden zussen hebben niet te lang geleden allebei hun man verloren. Desalniettemin geen deprimerende gesprekken. Ik heb gevraagd of ik een paar fotootjes van ze mocht maken. Dat mocht. Een afscheid van elkaar in de oude, verwilderde tuin. Misschien hun laatste afscheid? Ik vroeg of ik haar een kus mocht geven, ik heb uitgesproken dat ik haar een prachtvrouw vind. Daarna liep ik alvast naar mijn auto. De zussen namen innig afscheid. De foto’s heb ik dezelfde avond gemaild naar jongste zus en de kinderen van mijn cliënte. Leuke reacties en een allerliefst berichtje van jongste zus kreeg ik terug. Ik ben dankbaar voor zulke dagen en zulk mooi werk!
Wederom fantastisch mooi weer tijdens het wild kamperen bij de boswachter. Voor de derde keer op rij staan we met de VW kampeerbus op hetzelfde plekje in het bos in de provincie Flevoland - waar je één weekend per jaar wild mag kamperen. Een prachtige plek op een grasveld omzoomd met bomen. Helemaal afgezonderd. Een meertje erbij om te zwemmen en te varen. Deze keer zijn we echter iets heel belangrijks vergeten. In de afgelegen natuur zonder signaal op de mobiele telefoon, zonder winkeltjes en zonder elektriciteit… zijn we toiletpapier vergeten! Mijn zus die al een dag eerder met haar kinderen gearriveerd is heeft een halfvol rolletje. We zijn met zeven mensen. Een halfvol rolletje WC papier is niet veel…. We beloven allemaal heel zuinig te doen. Ik vraag een keer heel beschamend aan twee onbekende pubermeiden mét een rol of ik een stukje mag hebben. Mijn zus bekeek het op een afstandje. “Heb je nou écht van die twee meiden een stukje papier gebietst?” Ja dus. Dolkomisch. De volgende ochtend loopt mijn neefje met het enige, waardevolle rolletje heel omslachtig onder een handdoek verstopt richting de WC. Voor de gelegenheid heeft de boswachter namelijk voor een portacabin gezorgd. Mijn neefje komt terug met een teneergeslagen gezicht. “Er is iets heel ergs gebeurd” biecht hij op. Hij heeft de énige rol die we hebben in de WC pot laten vallen! Hij showt de doordrenkte rol als bewijs… We storten allemaal met een hoop gezucht en gesteun in. Als ik halverwege de dag met mijn zus ook naar die portacabin loop zien we in een tentje waar we langs lopen tegelijkertijd een nieuwe closetrol liggen. We kijken elkaar meteen aan. “Er ligt daar een volle WC rol” merken we simultaan op. Het is toch een stap te ver om een stukje papier aan die mensen te vragen. Wat een hilariteit! In de portacabin vind ik een klein restant rolletje WC papier. We zijn er allemaal blij mee. We zullen er heel zuinig mee doen. We redden het helemaal tot het moment van ons vertrek. We hebben zélfs papier over! Dit rolletje overhandig ik plechtig aan mijn schuldige neef. Hij zou het op z’n slaapkamer leggen, als aandenken.