![]() |
| Sun Bear in Balikpapan |
Het is tijd voor ons om terug te gaan naar het ‘vaste’ land. Eiland Borneo dus. Of nog specifieker Kalimantan. Het Indonesische deel van Borneo. Het brengt mij telkens weer een weemoedig gevoel als we ergens wat langer geweest zijn en het goed naar ons zin hebben gehad. Dat was afgelopen week op Maratua met Rivi, maar ook de week in Centraal Kalimantan met Joe. Het gevoel hebben dat er goed voor ons werd gezorgd. Dan is zo’n momentje van afscheid even iets moeilijker. Indonesische mensen raken elkaar niet in openbaar aan. Toch gaf Joe ons toen wij onze hand uitstaken bij het afscheid allemaal een omhelzing. Een week zo intiem samen optrekken schept een band. Ik weet nog dat Potas, de gids op de houseboat dat ook zei. ‘Voor de komende dagen zijn we een familie.’ Zo voelde dat ook bij Joe en zijn vrouw Jamilla, en ook bij Rivi en kokki. Een warm bad. Rivi gaat ons deze vroege windstille, zonnige ochtend met z’n scooter, met twee van onze backpack’s, vooruit naar de lange houten pier. Hij heeft de bagage al in het bootje gelegd wanneer wij aan komen lopen. Een overdekt bootje met één motor dit keer. Er zit al een oude Hindoe meneer in met een mooi gestreken batik overhemd, een mutsje en een grijze sik. Ook een moslima. Ook Rivi geeft ons zonder twijfel een omhelzing. Een grote glimlach. Hij blijft zwaaien wanneer we wegvaren. Ik slik mijn opkomende tranen weg. Al snel zie ik op zee slecht weer, recht voor me uit. Donkere lucht die zo laag hangt dat hij de aquamarijne zee aanraakt. Ik wijs het mijn lief aan die er niet echt acht op slaat. Ik houd het in de gaten, ik word er heel onrustig van. Dan zie ik ineens een wit oppervlak op het water. Huh, een strandje of een zandbank? Dan zie ik het goed, het is wild opspattend zeewater. Een draaikolk. Het begint nu te regenen. Ik houd de kapitein in de gaten die het natuurlijk ook gezien heeft. De moslima is opgestaan en naar het raam gelopen en praat met de kapitein. Dan zegt middelste dochter dat ze twee cyclonen ziet. Boven het wild kolkende water steken twee ronddraaiende windhozen omhoog. Ik krijg tranen in mijn ogen. Hier zitten wij met acht mensen in een nietig houten bootje met één motor. Beelden komen mij voorbij van allesvernietigende tropische cyclonen. Scheepswrakken. Omhoog gestuwd warm oceaanwater. We zitten nu op de evenaar, een typische plek voor tropische cyclonen. De wind verzamelt het damp en stijgt terwijl de koude lucht eronder kruipt. Hoge druk ontstaat waardoor de wind heel snel kan bewegen. Het spint keihard rondom het bekende oog. Angst valt over me heen. Een heel kwetsbaar gevoel dat ik herken vanuit m’n ziekenhuisopname. Nog helemaal niet zo lang geleden. Tranen. Een dochter wrijft troostend over mijn rug. De kapitein scheurt met z’n motor op volle toeren door, steeds links de cycloon in de gaten houdend. De regen stopt weer. De lucht klaart op. De cycloon verdwijnt uit zicht. We kunnen weer rustig adem halen. Bijna drie uurtjes later staan we weer op het drijvende houten piertje. Tegenover de groene moskee. Rivi heeft twee taxi’s voor ons geregeld. Een kwartier later staan we op het kleine, splinternieuwe luchthaventje. We hebben zelfs een eerdere vlucht. We drinken iets lekkers in een modern café, er is WiFi. Op naar de volgende stap in ons grote avontuur.
‘Wij zijn op berenjacht. We kunnen er niet overheen. We moeten er dwars doorheen’ zingen we op de houten pier. Het enige dier uit het regenwoud, van mijn lijstje, dat we niet hebben kunnen spotten is de mooie sun bear. De enige grote, donkerbruine beer met dikke vacht die geen winterslaap houdt. Deze beren leven dus in het regenwoud van Borneo. Ze klimmen in bomen. Leven van fruit en insecten. Ze bewegen veel. Ze dragen helaas hetzelfde onvermijdelijke lot als de orang-oetangs, veroorzaakt door het kappen van het regenwoud. Minder leefruimte. Sommige Indonesiërs houden zulke beren in huis net als dat ze orang-oetans in huis verzorgen. Ongelofelijk. We zijn inmiddels in de kuststad Balikpapan beland aan de Oostkust van Kalimantan. Deze bijzondere beren zijn de mascotte van Balikpapan geworden. Een reden voor de gouverneur om jaren geleden een opvang voor niet terug te plaatsen berenwezen te bouwen. De mooiste van heel Azië. De chauffeur van de Grab taxi van gister, Eddy, wil ons er vandaag heen brengen. We zijn dus op berenjacht. Er is geen entreegeld. We komen toevallig net voor voedertijd aan. Er wonen zes beren. Eentje is niet lang geleden aan ouderdom overleden. Ze moeten met hun lange nagels graven voor een stuk meloen tussen gestapelde takken. De parkwachters prikken fruit aan stokken. Verstoppen fruit in holle boomstammetjes met gaten erin. De knuffelberen moeten echt iets doen voor hun snack. Ze hebben allemaal in hun vacht een geel-oranje slabbetje onder hun nek. Elke vlek is uniek van vorm en kleur. Eddy’s vrienden hadden zo’n beer thuis. Hij is gelukkig opgehaald en woont nu hier. Je mag zijn naam niet noemen. De beer kan daardoor aan zijn trauma’s herinnerd worden. Toch hoort één van onze meiden Eddy steeds de naam fluisteren naar de beer. Ik kan dat niet begrijpen. Hij heeft het feit dat zijn vrienden die beer in huis hadden aan ieder van ons verteld. Met enige trots. Ik vroeg hem natuurlijk waarom je überhaupt zo’n beer in huis zou willen. Hij antwoordde alleen dat de overheid de beer weg gehaald had. ‘Good’ zei ik rustig. Ik zag dat de Nederlandse ambassade in Jakarta vaste donor is van deze opvang. Wij hebben natuurlijk roepia’s achtergelaten in een kartonnen doos bij de ingang. Nu kan ik de lieve beer met bruine kraaloogjes van m’n lijstje schrappen.
Balikpapan | 23 augustus 2023









