![]() |
| With Ramazan in Türkiye - 1991 |
‘What the world needs now is love, sweet love.’
We lopen voorzichtig naar binnen. Middelste dochter en ik komen terecht in een hoge hal met stapels lege kartonnen dozen en in een hoek opgestapelde, gevulde vuilniszakken. Helemaal achterin staat een groepje mannen te praten. ‘Goedemiddag!’ roep ik tegen het groepje. Een oudere man komt ons tegemoet lopen. De ruimte ziet er veel leger uit dan ik op een foto in de krant had gezien. We zijn in een moskee in een dorp verderop. Hij legt uit dat ze alle hulpgoederen al gesorteerd hebben. Winterkleding, tenten, slaapspullen, voedsel in blik en babyspullen. Er zijn al zo’n zeven busjes met hulpgoederen naar het vliegveld van Rotterdam gereden. Het weekend laten ze ook een vrachtwagen naar Turkije rijden. Naar het grote gebied van de verwoestende aardbeving. De reden dat we hier staan is dat ik wel acht dozen in in mijn autootje heb staan met drinkvoeding van de apotheek. De diëtiste uit het ziekenhuis die me continue aanmoedigde die proteïnedrankjes vol met eiwitten, vitamines en vezels te drinken stuurde me de meest vieze, chemische smaken. Koffiesmaak, aardbeien- en perziksmaak, vanillesmaak of karamelsmaak. Ik kreeg het allemaal niet weg. De enige smaakjes die ik met veel moeite kon verdragen was chocolade en limoensmaak. Nu had ik een goede bestemming voor deze dozen vol aansterkende drankjes. Ook meteen onaangeraakte doosjes met ampullen morfine afgegeven. Aan de oudere meneer dat wel. Jonge mannen hielpen ons met sjouwen. De oudere man vertelde dat de ampullen veilig met een speciaal vervoer voor medicijnen meegaan. Ik kan niet met droge ogen naar de beelden uit het getroffen gebied kijken. De ontberingen na al die nachten van vrieskou en regen. De geluiden van om hulp schreeuwende mensen onder het puin. De medische situatie er is erbarmelijk. Het beeld van het het pasgeboren Syrische baby’tje Aya met de navelstreng nog aan haar mama. Of Turkse vader Mesut zittend op een stapel puin met de hand van zijn overleden dochter Irmak van veertien nog in zijn hand. Het kleine jongetje van drie dat met blote handen levend uit het puin gegraven is. Tussen het puin zoekende mensen… Af en toe een fluitje dat klonk. Dan was het even muisstil en hoopten hulpverleners een teken te horen van mogelijke overlevenden. Mensen die huilend en bebloed op straat lopen, en slapen. De geur van dode lichamen… Je ziet restanten sneeuw nog op straat liggen, zó koud. Ik huil elke keer wanneer ik foto’s of beelden zie.
Mijn lief en ik zijn in 1991 naar Turkije afgereisd. Onze eerste vliegreis samen. Naar het dorpje Kaç, aan zee gelegen. Destijds heel erg afgelegen en nauwelijks toeristisch. We logeerden twee weken in het kleine pensionnetje van de vriendelijke familie Kocakaya. Zulke lieve mensen! Hun zonen van onze leeftijd (begin twintig) trokken al die tijd met ons op. Het klikte heel goed. Mijn lief mocht invallen in hun voetbalteam, ergens bovenop een stoffige berg. Mehmet, Ibo of Ramazan namen ons mee naar mooie strandjes. Zij namen soms een luchtbedje mee met een motortje erop waar we ons mee verplaatsten in zee. We speelden veel spelletjes met ze. Dammen en backgammon aan een tafeltje of beachball op het strand. Ze namen ons en andere vrienden mee uit dansen op zaterdagavond naar een openlucht disco in een ander dorp. Achter in de laadbak van een klein vrachtwagentje. Na het dansen verplaatsten we ons naar een dakterras waar we heerlijke gehaktballetjes en tomatensoep onder het licht van de maan aten. Mijn lief werd helaas ook heel ziek in Turkije. Een ambulance moest komen om hem weer op te laten knappen. We gaven toen akkoord aan de arts om een hogere factuur uit te schrijven. De donatie (van onze reisverzekering) zou goed terecht komen in het plattelandsziekenhuisje. Ook hadden we fluisterend, stiekeme gesprekken met een vriend van de broers, een Koerd. Een oud volk zonder eigen staat die nu nog steeds streven naar onafhankelijkheid. Toen we na twee heerlijke weken met een taxi naar het vliegveld vertrokken werden we uitgezwaaid door het complete, lieve Turkse gezin. De mama, met shawltje om haar haar gebonden, had tranen in haar ogen. Een paar jaar geleden waren we ook heel kort even in Turkije. In Istanboel moesten we overstappen op een vliegtuig naar Zuid-Korea. Er opende midden in de levendige hal met rijen wachtstoelen een liftdeur en daar kwamen twee hotelgasten in hun witte badjas uitstappen. Met grote ogen keken ze rond in de megadrukke hal vol haastige reizigers met hun bagage. In hun hand hielden ze een zwembrilletje, hun blote voeten in Adidas slippers gestoken. Onder de man zijn witte badjas staken heel blanke, dunne benen uit die heel donker behaard waren. Ze hadden duidelijk op de verkeerde knop in de lift gedrukt. Zo te zien waren ze op weg naar het hotelzwembad of sauna. Ik kwam werkelijk niet meer bij van het lachen! Ik moest stoppen met lopen en klapte dubbel van het lachen. Tranen in mijn ogen. Dat ontredderde koppeltje dat zó afstak tegen alle haastige reizigers. Ik stiefelde wat achter ons gezin aan en toen ik eindelijk mijn verhaal kon doen kwam ik niet verder dan wat hortende geluiden. Zo verschrikkelijk hard moest ik lachen! Het is een leuke reisherinnering dat nog steevast op mijn lachspieren werkt.
















