Once you get a kitten, the natural thing you do is take a billion photos.
- Hannah Simone
We schuiven aan bij een tafeltje bij het raam. We kijken uit op de midgetgolf baan. Mensen buiten dragen weer winterjassen. Het weer is grijs en best koud. Ondanks dat het de tweede week van de meivakantie is… We zijn in het bos bij het Brabantse Chaam. In een pannenkoekenhuis. Met z’n viertjes. Twee moeders en twee dochters. De dochters schelen precies vier dagen in leeftijd. Wij moeders zaten samen op zwangerschapsyoga. Alweer veertien jaar geleden. Twee montessorimoeders zoals dat toen heette. Kindjes op de montessorischool. We hadden nog niet veel contact. Dat kwam pas op gang toen onze jongste meisjes samen in de middenbouw in elkaars klas kwamen. Zij werden vriendinnen. Of eigenlijk ontstond er een vriendinnenclubje van vier meiden. Meestal heel leuk, soms niet. Ik herinner me jaloezie en ruzietjes die in de klas gesust moesten worden. De moeders gingen er steeds vaker samen op uit. Op woensdagmiddag met de hele bups naar de Galderse meren in de zomer. Steeds langer blijven kletsen bij het ophalen van de kinderen. Thee drinken in elkaars tuin. Een bioscoopje. Een etentje met mannen erbij. Of dansen. Carnaval. Feestjes. En toen verhuisden wij naar Mexico. De moeders met hun dochters kwamen natuurlijk op ons afscheidsfeest. Deze moeder werd mijn vriendin. Ze kwam met haar hele gezin naar Mexico om bij ons in huis te logeren. We zagen elkaar als wij in de zomer even in Nederland waren. Mijn dochter met haar dochter, en wij samen. Ik nodigde haar na terugkomst in Breda uit bij mijn hardloopvereniging en nu zagen we elkaar wekelijks. Toen onze jongsten naar dezelfde middelbare school gingen vroegen we beiden aan dat ze bij elkaar in de brugklas zouden komen. Helaas werd onze wens niet vervuld. Zo zagen de meiden elkaar steeds minder op de middelbare. Ze bewogen zich in hun nieuwe vriendinnengroepjes. Toch probeerden wij hun vriendschap warm te houden door eigenlijk elke schoolvakantie iets te organiseren. Zwemmen, boswandeling, theedrinken, klimbos, bioscoop en nu dus midgetgolf. We eten vanmiddag eerst gezellig een pannenkoek. De mama’s houden het gesprek een beetje gaande met onze vragen over school, nieuwe vakkenpakket en vragen als ‘zie je die en die nog wel eens?’. De meiden houden zich op de achtergrond. Ze gedragen zich niet als levenslustige tieners. Ik kijk er van op. Zelf was ik élke schoolvakantie uit logeren bij vriendinnen of nichtjes. En als ik wel thuis was hing ik rond in de stad, in de buurt of sprak met vriendinnen af. Deze meisjes moeten echt aangespoord worden om de deur uit te gaan. En dat schijnt normaal te zijn op die leeftijd. Het liefst hangen ze alle dagen van de tweeweekse schoolvakantie in de bank met hun telefoontje of achter hun beeldscherm met Netflix. Dat doen veertienjarige meisjes dus. Ik kan er niet aan wennen. Elke dag vraag ik deze vakantie hoopvol wat haar plannen zijn voor deze dag en die zijn haast nooit bijzonder. Een enkel hoogtepunt nagelaten. Op Pasen zijn we als gezin gaan fietsen naar België. Zo is ze ook met vriendinnen naar Koningsdag 538 geweest. Ze is supergezellig met mij in de trein naar Eindhoven geweest om te winkelen. Een avond met een van haar zussen en vader naar de nieuwe Avengers film geweest. En deze middag is ze natuurlijk gaan midgetgolfen wat heel leuk was en we hebben ook zeker gelachen. Ze fietsen echter niet even bij elkaar langs. Dat is de jeugd van nu. Andere tijden. In real life ontluiken vriendschappen en deze worden verder grotendeels online onderhouden.
We staan in Leiden voor een gesloten deur in een kaal trappenhuis. We staan toch wel bij het juiste adres? Geen geluid achter de deur als we meerdere keren aanbellen. Als ik het mobiel nummer bel blijkt de bewoner nét zijn auto voor de deur te parkeren. Als we binnen stappen lopen we eerst tegen een doos met een mama-poes aan. Jonkies van zo’n drie weken oud. We lopen er heel voorzichtig langs en dan zien we de dotjes waar we voor gekomen zijn. Drie dagen oud. Oogjes gesloten. Piepend. Bijna zo klein als muizen. Deze mama kreeg vijf jongen en twee daarvan zijn door een andere mama-poes geadopteerd. Wij komen voor een lila jongetje. Hetzelfde ras als onze in-het-begin-van-dit-jaar-overleden kater, maar in een andere kleur. Lila. Ze zijn natuurlijk té schattig, té lief en té hartveroverend. Mijn lief stelt spontaan voor dat we er twee nemen. Een jongetje en een meisje. Ik ben niet meteen voor. Dan hebben we drie katten in huis! Hoe gaat onze tien jaar oude poes daar op reageren? Onze jongste dochter die mee op kraambezoek is reageert enthousiast en dan kan ik eigenlijk niet meer terug. We kopen er twee. Twee koopcontractjes. Op de terugweg mijmeren we over hoe het zal zijn. Twee hummeltjes stoeiend op het grasveld in de achtertuin. Samen slapen op het zitkussen. Ook denken we terug aan die arme kater (de papa) die in een hok op het balkon verblijft. De drie nestjes die in zelfgemaakte kooien door het huis verspreid liggen. Zo zag het er bij de eerste fokster Heidi, waar we onze kater destijds vandaan hadden, niet uit. Geen hokken, maar wel een kraam(slaap)kamer. Daarna leefden ze in de huiskamer en mochten ze in de tuin. Deze fokker in Leiden pakt het helaas anders aan. Hij mag ons en maakt voor ons een uitzondering. Normaliter verzint hij zelf de namen voor de stamboom. Beginnend met de juiste letter in volgorde van de opvolgende generaties. Wij mogen van hem de dubbele namen verzinnen voor onze kittens. We zijn er een week heel druk mee bezig. We doen allemaal een duit in het zakje met bijzondere bijdragen. De namen moeten bij elkaar klinken. De dubbele namen moeten samen als setje klinken. De afkortingen moeten een ’s’ in hun naam hebben anders luistert de kat niet. Het moeten ook plaatsnamen zijn, want dat is onze traditie. Dan, na een week ploeteren, dien ik het voorstel met vier namen in. Fokker Raymond vindt ze geweldig. Ze worden goedgekeurd. We ontvangen regelmatig filmpjes en fotootjes op mijn telefoon. Je smélt als je de kittens met hun blauwe oogjes en hun lange nesthaar ziet eten of stoeien. We zouden ze met tien tot veertien weken op mogen halen. Ergens in juni. Deze week krijg ik onverwachts een telefoontje. Ze worden zó groot, ze wegen al een halve kilo!, dus hij gaat de dierenarts vragen of ze al met acht weken weg mogen… Daar heb ik twijfels over, omdat we onze eerste kater pas met veertien weken mee naar huis kregen. Ze hebben naast zindelijkheid en zelfstandig eten namelijk ook socialisatie nodig. Stoeien met broers en zussen, af en toe een tik van hun moeder. De fokker is ‘not amused’ als ik mijn twijfel laat doorschemeren. Jongste dochter zegt later dat het sowieso beter is als we ze daar ophalen. Ze hebben natuurlijk elkaar, en ze hebben onze oude poes die ze nog van alles kan leren. Hier thuis hebben ze ruimte, veel liefde en een ommuurde tuin. Toch probeer ik het stiekem nog een weekje te rekken…