| Together - 2021 |
Elke vrijdagochtend zitten wij samen bij een noten- en kaasboertje in een naburig dorp wat te drinken. Zij drinkt altijd een romige cappuccino en ik een groene thee. We krijgen er ook altijd een koekje bij. Gebak zou teveel zijn, want wanneer ik haar terug breng begint de lunch al bijna. Na de koffie kiezen we steevast een doosje met chocolade nootjes uit voor haar. Deze zet ze op haar kamer voor als ze zoete trek krijgt. Voortdurend krijgen we de wekelijkse koffie en thee gratis van de notenboer himself. Hij is verschrikkelijk aardig tegen haar. Zij vindt hem ook heel innemend. Hij komt altijd even bij ons tafeltje staan voor een praatje of een grapje. Dan voelt het voor haar alsof ze weer meetelt, vertelde ze mij een keer. Zij is vijfennegentig jaar oud. We kennen elkaar nu vier jaar. We hebben veel meegemaakt samen. We begonnen ooit drie keer in de week samen boodschappen te doen en haar warme maaltijd voor de lunch klaar te zetten. Wekelijks een pannetje verse groentesoep. Vaak gingen we lopend naar de winkel. Eén keer per week naar de biologische slager. Soms een kop thee op een terrasje. Een enkele keer samen naar de bioscoop of voor een wandeling naar het Mastbos. Onze relatie is veel intiemer geworden toen ik haar een keer op een zomerse dag in mijn auto meenam naar Arnhem waar haar jongste zusje woont. Zusje (toen recent weduwe geworden en in de zeventig) had destijds een chemokuur en droeg een shawltje op haar hoofd. Een schat van een vrouw! Ik zou ze alleen laten, maar zusje had op mij gerekend. Drie stukjes appeltaart stonden al klaar op de keukentafel. Een theedoek er ouderwets overheen gedrapeerd. We zaten op een heerlijk terras in haar tuin, overgroeid met oude bomen. Ik moest ook bij de dames blijven toen het lunchtijd was. We aten van de antieke bordjes die van wijlen hun moeder geweest waren. De oorlog kwam ter sprake. Hun vader overleed heel jong, hun moeder kreeg tbc. Jongste kindjes, waaronder zusje van twee jaar, werden in een pleeggezin gezet. Soep van de gaarkeuken. Ik voelde hun verwantschap. Ik maakte foto’s van hun afscheidsomhelzing - dierbare foto’s die ik natuurlijk gedeeld heb. Het was een onvergetelijke dag geworden waar we het tot de dag van vandaag nog steeds samen over hebben. Zusje is later nog een keer met de trein op bezoek geweest bij haar oudere zus en liet een lief briefje voor mij achter. Een keer belde ze toen ik de telefoon opnam. Zo’n lief mens! Oudere zus heeft inmiddels vasculaire dementie. Zo’n twee jaar geleden viel ze prompt van de fiets. Sindsdien woont ze in verzorgingstehuizen. Haar huis is verkocht. Ze woont nu in het kleinste verzorgingstehuisje van Nederland. Elke vrijdagochtend neem ik haar mee de deur uit. Voor mijn opleiding moest ik een assessment doen over het levensverhaal. Ik heb haar gevraagd om dit samen met mij te doen. Ze vond het heerlijk om te doen, omdat we samen door haar leven dwaalden aan de hand van de vragenlijst. Twee vrijdagen onverdeelde aandacht van mij. Ik kende de meeste stukjes van haar levensverhaal al, maar ze genoot. ‘Ik doe er toe’ zei ze letterlijk. Ze was blij dat ze me kon helpen met mijn studie. Ze is aan het dementeren en leeft daarom in het hier en nu. Het besef van tijd ontglipt haar. Als ik bij haar ben is het moment alles wat er is. Zo is zij ook een beetje mijn leraar. In gedachten kan ik niet ergens anders zijn dan bij haar. Zij roept zachtheid en verstilling in mij op. Ik ben van betekenis voor haar. Haar drie kinderen wonen te ver weg om wekelijks langs te komen. Zij is heel open over haar dementieproces. Het loslaten van de regie vindt ze het allermoeilijkste van deze rotziekte. Er wordt wel gezegd dat als je één iemand met dementie hebt ontmoet, je slechts één iemand met dementie hebt ontmoet. Alle levensverhalen en ziekteprocessen zijn nu eenmaal uniek. We praten ook over haar naderende dood. Ze gelooft niet in een leven na de dood. Ze is van het katholieke geloof afgestapt nadat haar moeder als jong weduwe tbc kreeg en de kerk heel goed, maar ook heel streng, voor het ontredderde gezin was. De oudste drie meisjes werden nog steeds elke ochtend om acht uur in de kerk verwacht voordat ze naar school gingen. De diaken was persoonlijk langsgekomen om de meiden toe te spreken dat hun bedden voor die tijd netjes opgemaakt moesten zijn. De nonnen die thuis ondersteunden hadden bij hem geklaagd. Ze denkt praktisch na over haar einde in de zin dat als ze ’s nachts een keer uit bed valt dat ze haar dan pas de volgende ochtend zullen vinden. Er is namelijk geen noodknop in het eeuwenoude klooster waar ze woont. Haar hart is sterk. Ze heeft de trap naar boven nog niet kunnen ontdekken zegt ze altijd. ‘Ze willen me daar niet.’ Wekelijks neemt ze als volgt afscheid van mij ‘We zien elkaar volgende week…bij leven en welzijn’. Het maakt haar niks uit wat er met haar lichaam gebeurt. Zo praktisch als ze is mogen de kinderen het helemaal zelf bepalen. Ze geeft mij onbewust levenslessen mee over wat er toe doet. Hoe het is om te leven met tegenslag of wind mee. Dingen die zo gewoon waren voor haar voelen nu ineens onvast en onzeker. In deze momenten zie ik kans voor mijn levensvragen: wat is de zin van dit alles? Door samen de assessment te doen (of zoals de notenboer het noemde: haar huiswerk) komt haar leven aan ons voorbij. Wat is écht van waarde geweest? Het maakt mij meer aanwezig in het moment. Kalmer over de waan van de dag.